Samen leven in een wereld vol diversiteit

Sanneke Bolhuis

2018

We zijn als mensen fysiek-emotionele wezens en groepsdieren ofwel sociale emotionele wezens. Om in een groep te kunnen leven is afstemming en samenwerking nodig. Daarvoor zijn tijdens onze evolutie dan ook allerlei mechanismen ontstaan, zoals imitatieempathie en compassie. Mensen creëren cultuur: we bedenken middelen en oplossingen voor het samen leven en we geven die aan volgende generaties door. We beïnvloeden onze cultuur. Door allerlei factoren veranderen culturen in de loop van de tijd. Op verschillende plaatsen in de wereld en in verschillende tijden zijn verschillende culturen ontstaan. Daar verwerven mensen dus ook andere opvattingen (kennis) en gedrag. In elke cultuur vinden mensen hun eigen opvattingen en gewoonten vanzelfsprekend – en zullen ze die van anderen dus vreemd vinden, zo niet weerzinwekkend.

 

We ontlenen veel van onze opvattingen en gedrag dus onbewust aan onze sociaal-culturele omgeving. Dat betekent niet dat we klonen van elkaar zijn en het nooit oneens zijn. We ontlenen onze identiteit aan onze sociaal-culturele omgeving(en), maar tegelijk ervaren we identiteit als iets heel eigens. De diversiteit van mensen is niet te vangen in groepskenmerken! Toch discrimineren we voortdurend door individuen te behandelen op basis van vooroordelen tegen een groep waarbij we hen indelen. Hoe komt dat toch? Door valkuilen in onze reactiepatronen, doordat ons doen en denken vaak ‘lui’ is en we onbewust reageren op basis van evolutionair oude reactiepatronen en ingesleten gewoonten Kahneman noemt dat systeem 1 denken. Maar de valkuilen van systeem 1 kunnen we bestrijden met systeem 2. Dan moeten we ons er wel van bewust worden dat we allemaal allereerst vanuit systeem 1 reageren.

Hoe weet je wat een stoel is en wat je ermee doet? Niet doordat je dat in een woordenboek hebt opgezocht of er een definitie van uit je hoofd hebt geleerd. Waarschijnlijk weet je dat omdat je als klein kind al zag dat je mama en papa erop zaten, je er daarom ook op klom, je te horen kreeg dat je op je billen moest zitten als je pogingen deed om te gaan staan, dat je op je eigen stoel moest zitten en niet die van papa en omdat het woord stoel daarbij werd gebruikt. Je leerde wat een stoel is – en wat ‘normaal gedrag’ bij een stoel is – door observatie en imitatie van belangrijke anderen, door fysieke ervaring en door fysieke en verbale feedback en uitleg. Tenzij je bent opgegroeid in een omgeving waar stoelen niet tot de culturele omgeving hoorden… Dan leerde je het niet of pas later in een andere sociaal-culturele omgeving.

Valkuilen van systeem 1 zijn bijvoorbeeld groepsdenken en wij-zij-denken (al gebruikt Kahneman deze termen niet). Andere valkuilen ondersteunen het wij-zij-denken vaak. Zo’n valkuil is onze reactie op wat vreemd is. Vreemd is gevaarlijk, want je weet nog niet wat je daarvan kunt verwachten. Vertrouwd is goed, of in elk geval beter dan vreemd. Een bekende valkuil is onze neiging om alleen datgene te zien wat past bij wat we al dachten (selectieve waarneming en confirmation bias). We hebben moeite met het toeval en het onbegrijpelijkeen denken liever dat we alles wel begrijpen. Daarom hebben we een sterke voorkeur voor betekenistoekenning. We twijfelen niet graag aan wat we denken. We willen graag vasthouden aan onze eerste indrukken, die vaak in een mum van tijd zijn gevormd, vanuit systeem 1.

Daarbij komt onze voorkeur voor simplificatie en generalisatie. We hebben veel moeite met complexiteit en nuances. Evenzeer hebben we moeite met abstracties (abstracte begrippen, statistieken) en een voorkeur voor het concrete. We laten ons niet gemakkelijk raken door wat nog  ver weg is. We hebben een voorkeur voor het hier en nu en moeite met langetermijndenken. Dan zijn er nog een paar valkuilen voor het verkeerd beoordelen van anderen en jezelf. De eerste is op basis van kennis achteraf denken dat je het beter had geweten of gedaan dan anderen (hindsight bias). De andere twee zijn attributiefouten: fouten bij het toeschrijven van eigenschappen. Wat bekend staat als de fundamentele attributiefout is het veroordelen van gedrag van anderen op basis van eigenschappen of bedoelingen die je hen toeschrijft, zonder rekening te houden met de context. Tenslotte zijn er attributiefouten bij zelfbeoordeling. Vaak gaat het daarbij om zelfoverschatting, maar ook zelfonderschatting is een fout met gevolgen.

Het veranderen van diepgewortelde opvattingen wordt bemoeilijkt doordat we onze cognitieve dissonantie oplossen door het onbewust aanpassen van eigen opvattingen en door de macht der gewoonte. Valkuilen ontwijken is moeilijk … dankzij die valkuilen!

 

Onze evolutionaire en culturele geschiedenis helpt om menselijke eigenschappen te begrijpen. Maar verklaart ‘de evolutie’ ons individuele gedrag? Zeker nietVerklaart ‘de cultuur’ ons individuele gedrag? Zeker niet. ‘Cultuur’ of ‘de evolutie’ kunnen nooit worden gebruikt als een afdoende verklaring voor de opvattingen en het gedrag van individuen, niet van anderen en niet van onszelf. Dan tuimel je in de valkuil van generalisatie en simplificatie.

Vandaag de dag is de grote vraag hoe we, met al onze diversiteit, kunnen samen leven in een wereld waarin we steeds meer verbonden met en afhankelijk zijn van alle anderen. 

1      HOE KOMEN WE AAN ONS GEDRAG EN DENKEN (ONZE GEWOONTEN EN OPVATTINGEN)? 

Onze opvattingen en gewoonten zijn afkomstig van een fysiek- emotioneel en sociaal-cultureel leerproces dat voor een belangrijk deel weinig bewust plaatsvindt.

 

1.1          We zijn allemaal fysiek-emotionele wezens

Elk mens, jij en ik, zij en wij, we zijn allemaal emotionele wezens. We denken graag dat we vooral rationele, verstandige wezens zijn, die bewust nadenken over ons handelen. En natuurlijk is het mooi dat we enig vermogen tot nadenken hebben – dat moeten we zo goed mogelijk benutten. Maar daarbij is het ook heel verstandig om in te zien dat emoties in de regel onze eerste drijfveer zijn. Dat hoef je jezelf niet kwalijk te nemen. Het wordt pas een probleem als je je emoties niet onder ogen wilt zien. Dan denk je dat je verstandig bezig bent, terwijl je geen benul hebt (wilt hebben!) van de emoties die achter je doen en denken schuilgaan.

Waarom zijn we emotionele wezens? Dat heeft hele goede redenen, die onze evolutionaire ontwikkeling ten goede zijn gekomen. Emoties zijn signalen die je direct in je lichaam voelt en die je aanzetten tot gedrag. Vandaar de term: fysiek-emotioneel. In de evolutionaire psychologie wordt onderscheid gemaakt tussen emoties en gevoelens. In deze tekst gebruik ik 'emoties' voor het geheel, maar het onderscheid is interessant. De emoties zijn primair en zetten allerlei systemen in het lichaam in werking, wat we vervolgens voelen. De emoties zijn nog onbewust; de gevoelens zijn de bewustwording van de emoties. Je hart klopt in je keel, de adrenaline vliegt door je bloed, je bibbert van angst, je wilt acuut iets doen van boosheid, je trilt van opwinding. Emoties waarschuwen, bijvoorbeeld dat er gevaar dreigt of dat een geweldige kans voorbij komt. Dan moet je direct reageren, voor het gevaar jou neerhaalt of je kans verkeken is. Als je eerst bewust moet gaan nadenken over wat er aan de hand is en overwegen welke verschillende je dingen zou kunnen doen, dan is het al te laat. Emoties zoals angst en boosheid geven energie om het gevaar uit de weg of te lijf te gaan. Emoties laten ook weten dat je kunt ontspannen, lachen, rust nemen. 

Emoties zijn dus heel waardevol, maar het is belangrijk om te begrijpen hoe ze je ook kunnen misleiden. Ons primaire systeem 1 is wel snel, maar heeft het lang niet altijd bij het juiste eind. We hebben onze neocortex – belangrijk voor het rationele nadenken, analyseren en vooruitdenken van systeem 2  – niet voor niets ontwikkeld. Bijvoorbeeld: de eerste, emotionele reactie op vreemden is afstand houden, niet direct vertrouwen. Tegenover vreemden die ‘te dichtbij’ komen of tegenover ‘te veel’ vreemden is de primaire emotionele reactie sterker: angst, afweer, agressie of vluchten. Dat is niet gek. Eerder in onze evolutie was het vaak verstandig om vreemden zo snel mogelijk te ontlopen (als je eigen groep minder sterk was) of te bestrijden (als er iets te winnen viel). Die primaire reactie op vreemden is nog niet verdwenen. Maar in de loop van onze ontwikkeling hebben we steeds meer middelen uitgevonden om ontmoetingen vreedzamer te laten verlopen en conflicten op vreedzamere manieren op te lossen.

Vandaag is er een uitje van je werk. Je kent je directe collega’s, maar nu is het hele bedrijf er. De ochtend zal aan wedstrijdjes worden besteed, om elkaar wat beter te leren kennen. Iedereen wordt door elkaar heen in teams ingedeeld. Je kijkt nog wat onwennig naar elkaar. Iemand legt de spelregels uit en je hebt nog even tijd om als team te overleggen. “Ha, wij gaan natuurlijk winnen” zegt een vrolijke jongeman. “Ja, we maken ze in!” roept een ander. Er worden een paar strategische dingen afgesproken. Dan ga je de wedstrijd in. Jullie enthousiasme is geweldig, je moedigt elkaar aan en iedereen werkt hard. Je maakt denigrerende opmerkingen over de andere teams waardoor je je nog sterker voelt. “Die zijn sloom!” “Kijk ze klungelen, haha, wij zijn veel beter.” Als de tegenpartij een fout maakt roep je direct om de scheidsrechter. Als jouw team een fout maakt, doet tegenpartij hetzelfde. Maar dan vind je dat flauw. “Dat was toch eigenlijk nauwelijks een fout te noemen.” Of “Het was eigenlijk hun schuld, want …”. Je team wint, ieder krijgt een winnaar-sticker opgeplakt en je brult samen nog een keer “Wij zijn kampioen!” (“We are the champions!”).

Wij-zij-denkenversterkt het groepsdenken door het zich afzetten tegen andere groepen. Het leidt tot ongefundeerde opvattingen over en negatief of zelfs destructief gedrag jegens anderen. 

Bij teamsport is groepsdenken en wij-zij-denken vaak goed te zien. Zelfs als het om een heel toevallige en net gevormde groep gaat ligt de loyaliteit direct bij de eigen groep. Door het andere team te kleineren wordt het eigen groepsgevoel aangewakkerd. 

Het wij-zij-denken kan bij sporten vaak onschuldig blijven. Maar het kan ook leiden tot allerlei destructief gedrag. Bij verschil in macht leidt wij-zij-denken zelfs gemakkelijk tot gewelddadigheid. In het beruchte Stanford-gevangenisexperiment van Philip Zimbardo in 1971 werden studenten willekeurig verdeeld in gevangenen en gevangenbewaarders. Binnen een week moest het experiment worden afgebroken, omdat de gevangenbewaarders hun gevangenen aan allerlei wrede straffen onderwierpen. 

Het is niet moeilijk om in de geschiedenis talrijke conflicten en oorlogen aan te wijzen waar wij-zij-denkenwerd opgestookt met vreselijke gevolgen. Vandaag de dag, op een overvolle wereldbol waar mensen uit allerlei groepen (religies, etniciteiten, sociaaleconomische klassen, landen of regio’s) steeds meer met elkaar te maken hebben, zullen we moeten leren om groepsdenken en wij-zij-denken te beperken.

Diverse valkuilen in onze neiging om zonder bewust nadenken automatisch te reageren (systeem 1) ondersteunen het wij-zij-denken.

 

2.3          Valkuilen: vreemd is gevaarlijk; selectieve waarneming en confirmation bias; voorkeur voor betekenistoekenning; vasthouden aan eerste indrukken.

Je zit op een terras te genieten van een drankje. Ook de andere tafeltjes zijn goed bezet. Jonge vrouwen in druk gesprek, oudere echtparen aan de koffie, een groepje dat met laptops op schoot vergadert. Dan wordt je aandacht getrokken door een man die luid in zichzelf mompelend op het terras afkomt. Hij zwalkt een beetje en ziet er verwaarloosd en vies uit. He bah, denk je, snel kijk je de andere kant op en doet alsof je hem niet ziet.

Vreemd is gevaarlijk – vertrouwd is goed

De mensen op het terras zijn het soort mensen die je vertrouwd voorkomen. Maar die man, die hoort er niet bij. Als iets of iemand vreemd is, weet je nog niet of er gevaar dreigt en hoe je het beste kunt reageren. Ben je er eenmaal aan gewend, ook al was het geen eigen keuze, dan weet je in elk geval wat je kunt verwachten. Dat is gemakkelijker dan onzekerheid. Wat bekend voor je is, beoordeel je als positiever dan wat onbekend voor je is, louter en alleen omdat je het vaker bent tegengekomen. Vertrouwd is goed. Reclame maakt daar graag gebruik van en zorgt dat herhaling zijn werk doet! Een bekend merk zal toch wel beter zijn dan een onbekend merk. Het vertrouwde komt ons – in elk geval in eerste instantie – aantrekkelijker voor dan het onbekende.

SAMENVATTING

 

Hoe komen we aan onze opvattingen en gewoonten? Wij mensen komen ter wereld als bijzonder hulpeloze, onvolgroeide wezens, die nog jarenlang nodig hebben om volwassen te worden. De tijd die we daarvoor nodig hebben is in de loop van de geschiedenis steeds langer geworden. Sterker nog, tegenwoordig wordt algemeen geaccepteerd dat we ons leven lang (moeten) blijven leren. Een pas geboren kind moet alles nog leren: alles wat in de omgeving van dat kind wordt beschouwd als wenselijke en normale gedragingen en opvattingen. Hoe gedraag je je tegenover wie? Wat zijn goede manieren? Wat mag je wel doen en wat niet? Kinderen leren dat allereerst van wie voor hen het belangrijkst zijn: moeder, vader of andere verzorgers van wie een kind emotioneel en fysiek afhankelijk is. Zij wijden het kind in de wereld in. Wat zij doen en zeggen geeft betekenis aan de wereld om het kind heen en aan het kind zelf.

De ouders en alle andere mensen om het kind heen vormen de directe sociaal-culturele omgeving. Zonder dat we ons daarvan erg bewust zijn, delen we allerlei gedrag, gewoonten en opvattingen met de mensen om ons heen. We maken onderdeel uit van een cultuur en subculturen. Maar ieder heeft ook een eigen aard, een eigen geschiedenis en maakt deel uit van diverse groepen binnen de samenleving. Elk mens heeft daardoor een eigen referentiekader

Het korte antwoord op de vraag ‘hoe komen we aan onze opvattingen en gewoonten’ luidt: door een fysiek- emotioneel en sociaal-cultureel leerproces dat voor een belangrijk deel weinig bewust plaatsvindt.

1.2          We zijn allemaal sociale emotionele wezens

Mensen kunnen hun leven helemaal niet leven zonder andere mensen! Anderen, de groep(en) waar je bij hoort, hebben voortdurend een enorme invloed. Dat geldt niet alleen voor de kindertijd waarin je afhankelijk bent van de zorg van anderen. Het geldt voor iedereen het hele leven lang. Vooral in westerse landen is het de gewoonte om sterk de nadruk te leggen op het individu. Kinderen worden opgevoed om zelfstandig te zijn, iedereen moet ‘eigen keuzes’ maken en ieder mens wordt geacht individueel verantwoordelijk te zijn voor het eigen leven. Maar vandaag de dag zijn we wereldwijd juist meer afhankelijk, van meer anderen, dan ooit tevoren. Denk alleen al aan de productie van alles wat we elke dag gebruiken, van voeding tot auto’s en smartphones. Juist als groepsdieren zijn we evolutionair zo succesvol dat we erin slagen om in grote aantallen op de hele aardbol te leven.

Onze aard als groepsdier, als sociale wezens, is diep verankerd in onze emotionele reacties. Het blijkt bijvoorbeeld dat uitsluiting uit de groep voor mensen zeer pijnlijk is. Als iemand zich buiten gesloten voelt activeert dat in de hersenen dezelfde netwerken als fysieke pijn. Pijn is een ernstige waarschuwing voor gevaar. Er moet iets gebeuren: de wond verzorgen, terugkeren in de relatieve veiligheid van de groep. Eenzame opsluiting is een van de ergste straffen. Maar ook in alledaagse situaties is het gevoel buiten gesloten te worden erg pijnlijk – en roept om een reactie. 

De hechtheid van de groep was belangrijk om te overleven. Niet verwonderlijk dat er allerlei mechanismen zijn ontwikkeld om die hechtheid te bevorderen. Imitatie, empathie en compassie spelen een belangrijke rol bij het bereiken van een hechte groep, afstemming en samenwerking. 

 

1.3          Sociale wezens hebben afstemming en samenwerking nodig (imitatie, empathie, compassie)

Samen sta je sterker. Dat is het voordeel van groepsdieren. Maar in een groep moet je wel ‘afspreken’ hoe je met elkaar omgaat, hoe je problemen oplost, wat je samen belangrijk vindt, wat je gaat doen. Die afstemming zie je ook bij andere dieren. Leeuwinnen die samen op jacht gaan. Vogels die in formatie vliegen. Vissen die in scholen zwemmen. Mensen hebben in de loop van de evolutie tot hun eigen voordeel allerlei mechanismen en middelen voor afstemming en samenwerking ontwikkeld. Het primaire deel daarvan werkt onbewust. 

We doen elkaar bijvoorbeeld vaak onbewust na (imitatie). Slaat de een de armen over elkaar, dan doen anderen dat ook. Geeuwt de een, dan geeuwen er al snel ook anderen. Uit onderzoek blijkt dat we anderen die ons nadoen aardiger vinden dan wie dat niet doet, ook al zijn we ons helemaal niet bewust van dat nadoen. Niet zo gek: door je gedrag af te stemmen op dat van anderen laat je zien dat je bij de groep hoort. Als je op elkaar lijkt in gedragingen en opvattingen is duidelijk dat je bij dezelfde groep hoort.

Bovendien leer je door nadoen dingen die anderen al eerder hebben geleerd. Je hoeft het niet meer zelf uit te vinden, maar kunt het gewoon nadoen. Door nadoen leer je ook de taal van je eigen groep en ook taal is een machtig middel tot afstemming en samenwerking.Door middel van taal wordt het leren door nadoen aangevuld met vragen en antwoorden, uitleg krijgen (waarom doe je dat zo) en met overleg zodat ook weer nieuwe vormen van afstemming worden uitgevonden (hoe zullen we dat aanpakken). 

Een belangrijk mechanisme dat de binding tussen mensen versterkt is het vermogen je in te leven in de situatie en gevoelens van anderen:empathie. Als je ziet dat een ander pijn heeft voel je die als het ware zelf. Dat leidt er vaak toe dat je iets wilt doen aan die pijn. Elkaar helpen versterkt de onderlinge band en het maakt de groep sterker. Empathie is sterker voor mensen uit de eigen groep. Maar empathie kan ook leiden tot empathische stress. Dat is een sterk gevoel van onbehagen waardoor je juist wegkijkt van het lijden van anderen omdat je er niet tegen kunt. Voor medelevend, behulpzaam gedrag is compassienodig. De sociaal neurowetenschapper Tania Singer laat zien dat bij empathie en compassie verschillende netwerken in de hersenen betrokken zijn. Terwijl het bij empathie gaat om het delen van gevoel (pijn, plezier), gaat het bij compassie om betrokkenheid, zorgzaamheid en motivatie om de ander te helpen.

Empathie en imitatie berusten op de werking van zogenaamdespiegelneuronenin de hersenen. Als we een ander iets zien doen worden dezelfde hersengebieden actief als wanneer we het zelf zouden doen. Spiegelneuronen worden nog actiever als je gedrag ziet dat je wilt aanvullen, bijvoorbeeld als je iemand iets onhandig ziet doen en direct ‘je vingers jeuken’ om te helpen. Denk aan een kind dat onhandig zijn veters strikt. Eigenlijk zouden spiegelneuronen beter interactieneuronenkunnen heten. Ze worden voortdurend gebruikt om in een sociale context adequaat te handelen. Daarin gaat het minder om imitatie en vaker om het aanvullend reageren op andermans gedrag.

 

Maar die anderen …

Groepsbinding wordt versterkt door de strijd tegen andere groepen. Evolutiepsychologen verklaren dat vanuit het feit dat in ons evolutionaire verleden de groep moest concurreren met andere groepen om voedsel en andere levensbehoeften. De primaire, onbewuste mechanismes die bijdragen aan versterking en samenwerking binnen de groep (zoals groepsdenken en wij-zij-denken) hebben voor de wereld van vandaag ook nadelen. Door imitatie weet je wie bij jouw groep hoort en jouw groep is ‘natuurlijk’ de beste. Maar wie zich anders gedraagt hoort er niet bij en moet worden gewantrouwd of bestreden. 

 

1.4          We leven in onze eigen cultuur (en subculturen) – en beïnvloeden die

Het bijzondere van mensen is niet dat we groepsdieren zijn, maar dat we in die groep allerlei oplossingen zijn gaan doorgeven aan anderen en vooral aan volgende generaties. Manieren om aan voedsel te komen, om prettig onderdak te creëren, een taal om met elkaar te communiceren, regels hoe met elkaar om te gaan, verhalen die het bestaan verklaren. Al die materiële en immateriële onderdelen samen vormen de cultuurvan een groep. 

In verschillende omstandigheden en op verschillende plaatsen hebben groepen mensen andere oplossingen gevonden dan anderen: er zijn allerlei verschillen tussen culturen. In de ene cultuur krijg je dus andere ‘vanzelfsprekendheden’ mee dan in de andere cultuur. Wat beleefd is in de ene cultuur, bijvoorbeeld je ogen neerslaan tegenover een meerdere, is onbeleefd in de andere, waar je hebt geleerd om elkaar aan te kijken. In de ene cultuur worden kinderen met een strikte dagindeling opgevoed, in de andere wordt heel losjes omgegaan met de loop van de dag. Enzovoort! Boeken vol zijn er geschreven over verschillen tussen culturen.

Cultuur geeft houvast. Je hoeft niet over alles na te denken, je weet ongeveer wat je kunt verwachten en hoe je je moet gedragen. De omgeving is grotendeels vertrouwd. Samen met anderen bevestig je onbewust door je gedrag en opvattingen voortdurend je eigen cultuur. Maar binnen elke cultuur zijn er ook altijd afwijkingen. Er zijn grotere en kleinere groepen die een eigen cultuur hebben en daarmee meer of minder afwijken van de dominante cultuur. Deels zijn dat de eigen culturen van bevolkingsgroepen die in een bepaalde periode uit een andere omgeving zijn gevlucht voor armoede, achtervolging of oorlog. Deels zijn het subgroepen in een cultuur. Zo leven in vrijwel elke cultuur vrouwen en mannen in een eigen subcultuur. Rijk en arm leven in verschillende werelden. En erzijn de subculturen van clubs en organisaties. Door de verschillen in gedrag en opvattingen beïnvloeden mensen elkaar, met als gevolg dat de dominante cultuur en subculturen veranderen.

Culturen veranderen ook door andere gebeurtenissen. Er doen zich nieuwe situaties en problemen voor, er worden nieuwe dingen uitgevonden, voor sudderende problemen worden nieuwe oplossingen geprobeerd, er is discussie over de bestaande culturele oplossingen. Culturen staan niet stil! Ze ontwikkelen zich, soms heel traag, soms sneller. Soms bewaken ze hun eigen oplossingen streng en bestrijden andere. Soms staan ze meer open voor verschillen en zoeken naar contacten die voor beide voordeel opleveren. Culturen kennen altijd dynamiek. Al te vaak wordt over culturen gepraat alsof het vaststaande dingen zijn die voor eens en altijd hetzelfde zullen blijven en vooral moeten blijven. Bij een veelheid aan snelle veranderingen missen mensen het houvast en proberen daarom veranderingen tegen te houden. 

“Vandaag is het gisteren van morgen. Geniet er dus van, want vroeger was alles beter!”

 

1.5          We zijn allemaal uniek (referentiekader, leergeschiedenis, identiteit, diversiteit)

Cultuur wordt aan de volgende generaties doorgegeven als iets vanzelfsprekends. “Natuurlijk is dat zo”. “Natuurlijk doen we dat zo”. De hele omgeving werkt eraan mee om de eigen cultuur te ervaren als vanzelfsprekend. Kinderen hoeven niet alles opnieuw uit te vinden, maar leren van hun sociaal-culturele omgeving.

Maar deel uitmaken van onze eigen cultuur betekent niet dat we klonen zijn. Integendeel, ieder mens is uniek. Ieder kind heeft om te beginnen een unieke individuele aanleg. Ieder kind groeit vervolgens op in een net weer iets andere tijd en omgeving, een ander gezin, met andere ouders, broertjes, zusjes en andere familie, vrienden en buren. En tenslotte maakt ieder kind en iedere volwassene andere dingen mee dan een ander en doet zo eigen ervaringen op. Zo ontwikkelt ieder mens een eigen referentiekader: de deels onbewuste ideeën, opvattingen, emotionele reactiepatronen en gewoonten, van waaruit je de wereld en jezelf bekijkt en tegemoet treedt. 

Het referentiekader is het resultaat van de persoonlijke leergeschiedenis. In die geschiedenis zie je de wisselwerking tussen 1) de individuele aanleg, 2) de ervaringen in toevallige situaties en gebeurtenissen en 3) de bredere sociaal-culturele historische omgeving die gedeeld wordt met anderen. Het is nooit alleen je genetische aanleg die bepaalt wie je wordt. Evenmin is het alleen je omgeving die dat bepaalt. Het is de interactie tussen ‘nature’ en ‘nurture’ die mensen vormt. Bijvoorbeeld: je hebt een muzikale aanleg, thuis zie je met hoeveel plezier je vader musiceert en word je aangemoedigd om een instrument te proberen en naar de muziekschool te gaan. Of: je hebt een muzikale aanleg, thuis wordt veel gezongen, maar helaas woon je in een omgeving waar muziek verdacht is en dus ook geen muziekscholen bestaan.

In de loop van je leergeschiedenis ontwikkel je je eigen identiteit: wat je beleeft als wat je echt bent en wat belangrijk voor je is. Identiteitsvorming gebeurt grotendeels onbewust, door identificatie met anderen die belangrijk voor je zijn (geweest), de groepen waar je bij wilt horen. Je wordt je van je identiteit bewust als deze wordt aangesproken. Dat wil zeggen: als een aspect van je identiteit wordt aangesproken, want identiteit is meervoudig: we identificeren ons met verschillende groepen. In je vriendengroep voel je je en gedraag je je net iets anders dan op je werk of thuis. Welke identiteitslaag  op een bepaald moment wordt aangesproken hangt af van de situatie. Je identiteit als teamlid wordt aangesproken in de strijd met een ander team. Je nationale identiteit wordt aangesproken op nationale feestdagen of als de natie in gevaar komt. Je genderidentiteit wordt aangesproken als je vindt dat je onrechtvaardig wordt behandeld op basis van gender. Het is niet moeilijk in te zien dat identiteitsgevoel samenhangt met groepsdenken en wij-zij-denken, met alle voor- en nadelen daarvan.

Mensen vertonen een enorme diversiteit: elk mens is uniek. En bovendien hebben we elk een eigen positie van waaruit we naar de wereld om ons heen kijken. De term diversiteit wordt in allerlei betekenissen gebruikt. In de maatschappelijk discussie gaat het tegenwoordig vaak over culturele diversiteit, bijvoorbeeld in organisaties of in de samenleving als geheel. Daarmee wordt diversiteit geïnterpreteerd op groepsniveau, langs etnische, nationale, raciale en andere culturele scheidslijnen. Dat brengt twee problemen mee. Allereerst zijn zulke scheidslijnen inderdaad cultureel in de zin dat ze bedacht zijn door mensen. Het draait om wat mensen denken dat ze betekenen. Zo is lang gezocht naar kenmerken van rassen, vanuit de opvatting dat ze op die basis hiërarchisch konden worden geordend, dus het ene ras inferieur aan het andere kon worden verklaard. Inmiddels is duidelijk dat het begrip ras geen enkele genetische of andere wetenschappelijke basis heeft. Ras bestaat niet! Ook ons DNA laat dat zien. (Zie bijvoorbeeld https://www.momondo.nl/letsopenourworld/#the-dna-journey.) Een tweede probleem van de maatschappelijke discussie over diversiteit is dat we op basis van groepen blijven denken en handelen. Er wordt niet gekeken naar de unieke individuen, maar naar hun groepskenmerken.

 

1.6          Ondanks onze diversiteit discrimineren we voortdurend …

Discrimineren doen we van nature allemaal en doorlopend. Discrimineren betekent: onderscheid maken. Het is een oeroud en nuttig menselijk vermogen om snel onderscheid te maken en een oordeel toe te kennen. Wat of wie is in deze situatie voor mij van belang - en wat of wie niet? Wat/wie heeft nu aandacht nodig en wat/wie niet? Het kan je leven redden om snel te kunnen onderscheiden tussen het hoge gras en de slang die zich daar verschuilt. Het is handig om snel te zien of er een vertrouwd persoon nadert of een vreemde. 

Maar discriminerenheeft ook een specifieke betekenis: het ongelijk behandelen en achterstellen van anderen op basis van kenmerken die er voor de situatie niet toe doen. Dan moet je denken aan kenmerken zoals afkomst, huidskleur, seksuele geaardheid, leeftijd, handicap of chronische ziekte. Een sollicitant voor de vacature van chauffeur mag worden afgewezen als hij geen rijbewijs heeft, maar niet omdat de sollicitant een vrouw, zwart, homo of moslim is. Discriminatie komt voort uit het toekennen van negatieve eigenschappen aan een groep ‘anderen’. 

Het probleem is dat onze natuurlijke neiging tot discrimineren onbewust, automatisch en onmiddellijk in werking treedt. Onbewuste vooroordelen die we in onze leergeschiedenis hebben opgedaan komen direct naar boven. Als we ernaar worden gevraagd weten we zelfs nog wel een verklaring te geven. Pas als we proberen eerlijk na te denken over onszelf en ons afvragen waar die snelle oordelen vandaan komen, wordt het mogelijk om te zien welke fouten we daarbij maken. Klopt het echt dat deze persoon al bij voorbaat ongeschikt is voor een bepaalde functie of zelfs een slecht mens is, vanwege bijvoorbeeld de afkomst, huidskleur, seksuele geaardheid, religie? Of laten we ons dan leiden door de valkuilen in onze reactiepatronen, zoals ‘wij-zij-denken’,  ‘wat vreemd is, is gevaarlijk’, en een ‘voorkeur voor simplificatie en generalisatie’?

 

 

2          VALKUILEN IN ONZE REACTIEPATRONEN

 

2.1          De valkuilen van systeem 1 denken kunnen we bestrijden met systeem 2

Van veel van onze gedragingen en opvattingen zijn we ons niet of maar weinig bewust. We zijn lang niet altijd wezens die zich bewust en rationeel gedragen. Er blijken nogal wat valkuilen in onze onbewuste reactiepatronen te zitten. De inzichten daarin worden enorm vergroot door de nieuwe gedragswetenschappen, zoals de evolutionaire en biologische psychologie, de gedragseconomie en de neurowetenschappen. Een pionier op het grensvlak van economie en psychologie is Daniel Kahneman. Hij verdeelt de processen die ons doen en denken aansturen in twee systemen. Systeem 1 is evolutionair het oudste en omvat de onbewuste(re) reactiepatronen. Het stelt je in staat om snel, automatisch, weinig bewust, als in een reflex te reageren. Systeem 2 is evolutionair jonger en omvat de bewuste(re) reactiepatronen. Dat tweede systeem is trager, het kost moeite, want het moet bewust in werking komen. Systeem 2 stelt je in staat om als het ware tot stilstand te komen om na te denken. Dankzij de automatismen van systeem 1 hoef je niet overal bij na te denken en kun je in veel situaties je weg vinden zonder dat het je veel moeite kost. Dankzij systeem 2 ben je in staat om een probleem te analyseren en zo beter te kunnen bekijken en aan te pakken – en kun je proberen je te verzetten tegen de valkuilen in systeem 1. 

Een paar belangrijke valkuilen in de reactiepatronen van systeem 1 worden hieronder toegelicht. Elke valkuil leidt tot iets waar we moeite mee hebben: iets waar we systeem 2 bij nodig hebben.

 

2.2          Groepsdenken en wij-zij-denken

Groepsdenkenis het onbewust overnemen van gedrag en opvattingen van de groep waar je bij hoort en een zo sterke groepsidentificatie dat dit leidt tot onkritische overschatting van de eigen groep.

Bij je eigen groep(en) horen is essentieel voor mensen. Het zal dus niet verbazen dat we een sterke neiging hebben om onbewust de opvattingen en gewoonten van die groep(en) over te nemen en positief te waarderen. We noemen dat groepsdenken. Uit allerlei experimenten blijkt dat mensen hun eigen oordeel opgeven als hun omgeving er anders over denkt. Zoek maar eens op YouTube naar The Asch Experiment. Bovendien zul je altijd proberen om wat jouw groep doet voordelig voor te stellen. Mocht je eigen groep duidelijk op fouten worden betrapt, dan probeer je automatisch die fouten zo onbelangrijk mogelijk te laten lijken. Of je zoekt naar verzachtende omstandigheden en begrijpelijke oorzaken die de fouten minder erg maken. Natuurlijk is jouw groep de beste en natuurlijk heeft jouw groep gelijk! 

Vandaag is er een uitje van je werk. Je kent je directe collega’s, maar nu is het hele bedrijf er. De ochtend zal aan wedstrijdjes worden besteed, om elkaar wat beter te leren kennen. Iedereen wordt door elkaar heen in teams ingedeeld. Je kijkt nog wat onwennig naar elkaar. Iemand legt de spelregels uit en je hebt nog even tijd om als team te overleggen. “Ha, wij gaan natuurlijk winnen” zegt een vrolijke jongeman. “Ja, we maken ze in!” roept een ander. Er worden een paar strategische dingen afgesproken. Dan ga je de wedstrijd in. Jullie enthousiasme is geweldig, je moedigt elkaar aan en iedereen werkt hard. Je maakt denigrerende opmerkingen over de andere teams waardoor je je nog sterker voelt. “Die zijn sloom!” “Kijk ze klungelen, haha, wij zijn veel beter.” Als de tegenpartij een fout maakt roep je direct om de scheidsrechter. Als jouw team een fout maakt, doet tegenpartij hetzelfde. Maar dan vind je dat flauw. “Dat was toch eigenlijk nauwelijks een fout te noemen.” Of “Het was eigenlijk hun schuld, want …”. Je team wint, ieder krijgt een winnaar-sticker opgeplakt en je brult samen nog een keer “Wij zijn kampioen!” (“We are the champions!”).

Wij-zij-denken versterkt het groepsdenken door het zich afzetten tegen andere groepen. Het leidt tot ongefundeerde opvattingen over en negatief of zelfs destructief gedrag jegens anderen. 

Bij teamsport is groepsdenken en wij-zij-denken vaak goed te zien. Zelfs als het om een heel toevallige en net gevormde groep gaat ligt de loyaliteit direct bij de eigen groep. Door het andere team te kleineren wordt het eigen groepsgevoel aangewakkerd. 

Het wij-zij-denken kan bij sporten vaak onschuldig blijven. Maar het kan ook leiden tot allerlei destructief gedrag. Bij verschil in macht leidt wij-zij-denken zelfs gemakkelijk tot gewelddadigheid. In het beruchte Stanford-gevangenisexperiment van Philip Zimbardo in 1971 werden studenten willekeurig verdeeld in gevangenen en gevangenbewaarders. Binnen een week moest het experiment worden afgebroken, omdat de gevangenbewaarders hun gevangenen aan allerlei wrede straffen onderwierpen. 

Het is niet moeilijk om in de geschiedenis talrijke conflicten en oorlogen aan te wijzen waar wij-zij-denken werd opgestookt met vreselijke gevolgen. Vandaag de dag, op een overvolle wereldbol waar mensen uit allerlei groepen (religies, etniciteiten, sociaaleconomische klassen, landen of regio’s) steeds meer met elkaar te maken hebben, zullen we moeten leren om groepsdenken en wij-zij-denken te beperken.

Diverse valkuilen in onze neiging om zonder bewust nadenken automatisch te reageren (systeem 1) ondersteunen het wij-zij-denken.

 

2.3          Valkuilen: vreemd is gevaarlijk; selectieve waarneming en confirmation bias; voorkeur voor betekenistoekenning; vasthouden aan eerste indrukken.

Je zit op een terras te genieten van een drankje. Ook de andere tafeltjes zijn goed bezet. Jonge vrouwen in druk gesprek, oudere echtparen aan de koffie, een groepje dat met laptops op schoot vergadert. Dan wordt je aandacht getrokken door een man die luid in zichzelf mompelend op het terras afkomt. Hij zwalkt een beetje en ziet er verwaarloosd en vies uit. He bah, denk je, snel kijk je de andere kant op en doet alsof je hem niet ziet.

Vreemd is gevaarlijk – vertrouwd is goed

De mensen op het terras zijn het soort mensen die je vertrouwd voorkomen. Maar die man, die hoort er niet bij. Als iets of iemand vreemd is, weet je nog niet of er gevaar dreigt en hoe je het beste kunt reageren. Ben je er eenmaal aan gewend, ook al was het geen eigen keuze, dan weet je in elk geval wat je kunt verwachten. Dat is gemakkelijker dan onzekerheid. Wat bekend voor je is, beoordeel je als positiever dan wat onbekend voor je is, louter en alleen omdat je het vaker bent tegengekomen. Vertrouwd is goed. Reclame maakt daar graag gebruik van en zorgt dat herhaling zijn werk doet! Een bekend merk zal toch wel beter zijn dan een onbekend merk. Het vertrouwde komt ons – in elk geval in eerste instantie – aantrekkelijker voor dan het onbekende.

Onbewust hebben we een selectieve waarneming, die wordt gestuurd door voorkennis en de daarop gebaseerde verwachtingen. Die voorkennis is gebaseerd op wat we grotendeels onbewust hebben opgepikt uit onze sociaal-culturele omgeving en wat zo tot ons referentiekader is gaan horen.

Wat we al ‘weten’, ons referentiekader, leidt tot selectieve waarneming en brengt mee dat we ontbrekende kennis aanvullen op een manier die bij onze voorkennis en verwachtingen past.

Je komt binnen op het feestje van je nieuwe buren die hun nieuwe woning inwijden (house warming party). Als je hen hebt begroet en binnenkomt zie je veel onbekende gezichten. Dat zullen wel familie en vrienden zijn. Je speurt rond. Ha gelukkig, daar zijn een paar mensen uit de buurt die je wel kent. Je lacht naar ze en sluit je gezellig bij hen aan. 

* * * 

Wat zie je? Op een foto in de krant zie je een zwarte man wegrennen en een witte man die achter hem aan rent. ‘Woeste achtervolging’ zegt de kop ernaast.  Wat denk je dat hier gebeurt?

Wat je niet weet, vul je zelf in. Een leraar die verwacht dat zijn leerlingen spieken bij het proefwerk ziet hun zenuwachtige gedrag als bevestiging van zijn vermoeden en niet als teken van stress. Getuigen in de rechtbank zijn er oprecht van overtuigd dat ze precies weten hoe de inbreker eruit zag, ook al hebben ze dat onmogelijk goed kunnen zien. Ons brein vult ontbrekende kennis aan in overeenstemming met wat we denken te hebben gezien. Andersom merken we dingen niet op als onze aandacht op iets anders is gericht. Zoek maar eens op YouTube onder ‘selective attention test’ of ‘person swap’. 

Nauwkeurig, onbevooroordeeld waarnemen kost veel moeite. Systeem 2 moet bewust in werking worden gezet! 

 

Confirmation bias (bevestigende drogredenering) is een denkfout waarbij selectieve waarneming te hulp schiet. Confirmation bias houdt in dat je alleen die informatie opneemt die je eigen keuzes en opvattingen bevestigt. Je hebt iets gekozen (een mobieltje, auto, vakantie) en vervolgens let je alleen op de voordelen, op de positieve argumenten voor je keuze. Nadelen negeer je zo mogelijk of je bedenkt waarom die niet zo belangrijk voor je zijn. ('Was wel duur, maar dan heb je ook wat!' 'Ik heb het echt nodig.' 'Dat heb ik wel verdiend.')

 

We hebben een voorkeur voor het toekennen van betekenis – en moeite met toeval en met het onbegrijpelijke. Selectieve waarneming komt voort uit onze behoefte om overal direct de betekenis van te kennen. Zo nodig verzinnen we die zelf. We denken liever dat we iets begrijpen dan te erkennen dat we het niet begrijpen, wat wil zeggen dat het vreemd is en dus potentieel gevaarlijk. Liefst denken we dat we greep hebben op ons leven. Waarschijnlijk heeft dat een functie: te veel stilstaan bij toeval en het onbegrijpelijke zou verlammend kunnen werken. ‘Dat kan geen toeval zijn!’ is een vaak gehoorde uitdrukking. Waarom niet? Omdat we ons beter voelen als we ervan overtuigd zijn te weten wat er gebeurt en waarom. Een toevallige opeenvolging zien we bijvoorbeeld gemakkelijk als een oorzaak-gevolg relatie. In volstrekt willekeurige formaties (spetters, klodders, wolken) zien we met gemak allerlei figuren, vaak dieren of mensen. Zulke ongefundeerde patroonherkenning is een alledaags verschijnsel. Het aannemen van verbanden die er niet zijn leidt ook tot allerlei bijgeloof met bijhorende angsten en irrationeel gedrag.

 

We zijn geneigd tot vasthouden aan onze eerste indruk (aan wat eerder werd geleerd) – en hebben moeite met twijfelen aan eigen opvattingen.

Binnen een fractie van een seconde hebben we een oordeel over anderen. Daarbij spelen eerdere ervaringen en daaruit voortkomende verwachtingen – ons referentiekader dus – een rol. Dat kan slecht uitpakken. Bijvoorbeeld  voor sollicitanten die ‘anders’ zijn, die uit een andere groep komen dan de sollicitatiecommissie verwacht. Of voor de patiënt. Als het eerste idee van de arts voor een diagnose klopt leidt dat bijna altijd tot een goede diagnose. Maar als het eerste idee een andere richting opgaat, neemt de kans op een goed diagnose sterk af. De eerste indruk – die een leerling op de leraar maakt, die een cliënt op de sociaal werker maakt, die de verdachte op de rechter maakt – is vaak bepalend voor het vervolg. Geloven we eenmaal onze eerste indrukken dan leunen we al snel achterover; we vertrouwen op systeem 1.

2.4          Nog meer valkuilen van systeem 1 (voorkeur voor simplificeren; voorkeur voor het concrete; voorkeur voor het hier en nu)

 

Wij-zij-denken wordt ook ondersteund doordat we een voorkeur voor simplificatie en generalisatie – en moeite met complexiteit en nuances hebben. Je hebt van een vriend gehoord over zijn slechte ervaringen met buitenlandse bouwvakkers. Jouw conclusie: die kun je dus niet vertrouwen, die ga ik nooit inhuren. Simplificeren en generaliseren komen voort uit de menselijke behoefte om snel overzicht te hebben van de situatie. Toepasselijke termen hiervoor zijn ook: hokjesdenken en zwart-witdenken.  Simplificatie en generalisatie leidt tot het mensen in groepen indelen met groepskenmerken. Bijvoorbeeld in etnische hokjes, seksehokjes of religieuze hokjes. En die ‘andere groepen’ krijgen dan vaak negatieve kenmerken. Een Turkse vrouw met een hoofddoek, dat kan natuurlijk niet veel zijn. 

De in Turkije geboren Famile Arslan is Nederlands eerste advocaat met een hoofddoek. Op haar eerste werkdag bij het Ministerie van Justitie wilde de receptioniste haar naar de schoonmaakploeg verwijzen. Ze kon niet geloven dat Arslan naar de vijfde verdieping moest. Pas na een telefoontje met haar nieuwe collega’s mocht ze naar haar werkplek.  Ze komt nu als advocaat bij rechtbanken door heel Nederland. Ze vertelt hoe dat bij binnenkomst gaat. Overdreven articulerend ‘Mevrouw! Hier rechtbank.’ ‘Oh, dan ben ik goed.’ ‘O, u bent cliënt.’ ‘Nee …’ ‘O, u bent tolk!’ ‘Nee, ik ben advocaat.’

We hebben een voorkeur voor het concrete – en moeite met abstracties

Een hartbrekende foto met verhaal over een kind dat bij de aardbeving zijn hele familie verloor brengt ons er eerder toe om geld te storten dan de mededeling dat er honderden mensen zijn omgekomen en duizenden dakloos geworden. Media brengen liever dat ene concrete verhaal dan de achtergrond toe te lichten. Het publiek heeft nu eenmaal een voorkeur voor het concrete. En dan vaak liever een uitzonderlijk verhaal dan een verhaal dat representatief is voor het grotere geheel. Dat verband wordt dan ook niet vanzelf gelegd. Dat ene kind willen we wel redden, maar al die anderen blijven buiten beeld. 

Loterijen maken graag misbruik van het feit dat we moeite hebben met abstracties en in bijzonder met cijfers en statistieken. Het idee om te winnen wordt zo aantrekkelijk gebracht dat we er niet over nadenken dat de reële kans om te winnen vrijwel nul is. 

 

We hebben een voorkeur voor het hier en nu – en moeite met langetermijndenken

De korte termijn gaat voor! In een situatie waarin het gaat om overleven is dat niet vreemd. Zonder veiligheid en voedsel is er geen lange termijn. Maar als het overleven op langere termijn wordt bedreigd kunnen we daar moeilijk mee overweg. Liever nu lekker eten en drinken dan op termijn gezond blijven. Liever nu spijbelen dan straks een diploma halen. Liever nu de auto en het vliegtuig pakken dan nadenken over de milieu- en klimaatgevolgen op langere termijn. Uit onderzoek blijkt dat veel mensen die de keus krijgen tussen een geldbedrag nu (zeg €100) of een hoger bedrag over een jaar (zeg €125) voor het eerste kiezen. 

Onze hersenen zijn gericht op een directe beloning. Om doelen op lange termijn te bereiken is het aan te bevelen om ze in kleine subdoelen op te splitsen die elk ook belonend zijn. Maar om dat te bedenken en te plannen moeten we wel eerst bewust nadenken, dus systeem 1 aan het werk zetten.

 

2.5          Meer valkuilen voor het verkeerd beoordelen van anderen en jezelf (hindsight bias; fundamentele attributiefout; attributiefouten bij zelfbeoordeling)

Nieuwsbericht: uit rechercheonderzoek blijkt dat de moordenaar afkomstig was uit de slecht bekend staande wijk X. Reacties uit het publiek: ‘Dat dacht ik altijd al.’ ‘Dat hadden ze toch van te voren kunnen weten’, ‘Daar hadden ze direct moeten gaan zoeken’.

Nieuwsbericht: onderzoek naar het uit de hand lopen van de demonstrantie wijst uit dat de politie met onvoldoende mensen aanwezig was. Reacties uit het publiek: ‘Hoe kunnen ze nou zo stom zijn. Iedereen wist toch allang dat het een grote demonstratie werd!’

De reacties uit het publiek demonstreren hindsight bias. Dat is een drogredenering op basis van kennis achteraf. Met kennis achteraf is het gemakkelijk om te zien wat er fout ging. Maar je doet dan net alsof je die kennis al van tevoren had.

Op de snelweg word je ingehaald door een auto die ruimschoots de snelheidslimiet overschrijdt. Je ziet ondanks die snelheid een vrouw naast de bestuurder en een kind achterin. ‘Wat een maniak!’ denk je ‘Weer zo’n kerel die zo nodig als een gek moet rijden. Die moesten ze van de weg halen!’ Wat je niet weet is dat dit gezin net heeft gehoord dat de toestand van het zieke oudste kind plotseling is verergerd. Het ziekenhuis belde of ze snel mogelijk konden komen.

Je maakt een veel voorkomende beoordelingsfout: de fundamentele attributiefout. Je zoekt de verklaring voor het gedrag in de persoon (de bestuurder) zonder na te denken over mogelijke situaties die er de oorzaak van kunnen zijn. Terwijl je voor je eigen gedrag altijd wel een verklaring hebt waarbij de omstandigheden belangrijk zijn. Deze toeschrijvingsfout wordt algemeen genoemd omdat hij bij veel mensen in veel situaties voorkomt. Dat wil zeggen: meer bij Westerse mensen en minder bij Aziatische. Dat zou kunnen komen door de Westerse neiging om de nadruk te leggen op het individu, terwijl in Aziatische landen meer gekeken wordt naar de context. 

De fundamentele attributiefout kan ertoe leiden dat mensen die in moeilijkheden raken aan hun lot worden overgelaten. Ze zullen het immers wel aan zichzelf te danken hebben en zelf iets fout hebben gedaan. Maar kom je zelf in de problemen dat kun je wel vertellen welke omstandigheden die problemen hebben veroorzaakt.

 

Er zijn meer attributiefouten. Attributiefouten bij zelfbeoordeling zijn denkfouten waarbij een persoon zichzelf ten onrechte gunstig beoordeelt (zelfoverschatting) of juist ongunstig beoordeelt (zelfonderschatting). Jezelf gunstig beoordelen, ook al is dat onterecht, heeft een positieve functie: het geeft voldoening en energie om te denken dat je heel goed bent en alles aankunt. Maar zelfoverschatting betekent ook dat je selectief waarneemt en gemakkelijk in allerlei valkuilen tuimelt. Je beschouwt je prestaties uitsluitend als eigen verdienste zonder bijvoorbeeld te beseffen dat je ook gewoon geluk hebt gehad. Zelfoverschatting leidt tot het nemen van onverantwoorde risico’s. Bij mensen in een machtige positie kan dat voor veel anderen een ramp zijn, zoals bleek bij de bankencrisis. Macht leidt tot minder empathie, zodat het gevaar voor anderen niet wordt meegewogen in het handelen.

Jezelf ten onrechte ongunstig beoordelen (zelfonderschatting) is voor jezelf negatiever. Omdat je denkt ‘dat kan ik toch niet’ probeer je het niet eens en mis je de kans om het te leren. Je voelt je vaak afhankelijk van anderen, want die kunnen dat allemaal wel. Omdat je niet anders verwacht dan dat een ander jou ook ongunstig zal beoordelen durf je geen contact te maken. En mis je dus de kans om interessante anderen te ontmoeten en vrienden te maken.

 

2.6          Valkuilen ontwijken is moeilijk … dankzij die valkuilen

 

Hoewel het vaak een voordeel is om op ons systeem 1 te varen, snel en zonder veel moeite te kunnen reageren en handelen, is het dat zeker niet altijd. Het is regelmatig beter om de moeite te nemen stil te staan bij de vraag of we het wel bij het goede eind hebben en of ons wel terecht gedragen zoals we doen. Maar het veranderen van diepgewortelde opvattingen en gewoontegedrag is bepaald niet gemakkelijk. Juist de valkuilen van systeem 1 maken het lastig om systeem 2 in werking zetten. Nog twee valkuilen dragen daaraan bij: de manier waarop we onbewust cognitieve dissonantie oplossen en de macht der gewoonte. 

 

Het veranderen van diepgewortelde opvattingen wordt bemoeilijkt doordat we onze cognitieve dissonantie oplossen door het onbewust aanpassen van eigen opvattingen

Festinger bestudeerde een sekte die had aangekondigd door een ruimteschip gered te zullen worden bij het spoedige einde van de wereld door een zondvloed. Toen de voorspelling niet uitkwam werd het geloof niet minder, maar juist sterker door alle redenen die de sekteleden bedachten voor het niet vergaan van de wereld. Bijvoorbeeld dat door hun sterke geloof de wereld nog even werd gespaard. De sekteleden losten hun cognitieve dissonantie op door hun opvattingen aan te passen. Cognitieve dissonantiekun je definiëren als de spanning die ontstaat door het waarnemen van feiten, informatie of opvattingen die niet in overeenstemming zijn met de eigen overtuigingen. Daardoor voel je je als het ware gedwongen om zodanige nieuwe betekenissen te bedenken dat deze toch blijven passen bij wat je gelooft. Als het echt niet anders kan kunnen we dat ene concrete geval nog altijd beschouwen als een uitzondering op de regel.

 

Het veranderen van gewoontegedrag wordt bemoeilijkt door de macht der gewoonte.

Als autorijden of ’s avonds tanden poetsen een gewoonte is geworden, dan hoef je er niet meer bij na te denken. Een gewoonte is aangeleerd, vaak herhaald en daardoor onbewust geworden. Gewoonten hebben een belangrijke positieve functie. De macht der gewoonte geeft ruimte voor niet-automatisch gedrag dat bewuste aandacht nodig heeft. Onze bewuste aandacht heeft maar een beperkte capaciteit. Dus als je automatisch door het verkeer stuurt of je tanden poetst, kun je intussen over iets anders nadenken. 

Maar de macht der gewoonte kan ook hinderlijk zijn als je verkeerde gewoontes hebt aangeleerd of als die gewoontes geen positieve functie meer hebben. Verkeerde gewoontes zoals slordig autorijden, ongezond eten, onvriendelijk reageren en vooroordelen ventileren zijn hinderlijk. Daarnaast kunnen gewoontes ineffectief of ongewenst worden door veranderingen in de omgeving. Dan is de macht der gewoonte allereerst hinderlijk omdat je niet eens opmerkt dat er iets verandert. Bijvoorbeeld een leraar merkt niet op hoe de leerlingenpopulatie verandert of het ontgaat een arts dat er nieuwe diagnose- en behandelmogelijkheden zijn. Ten tweede is de macht der gewoonte hinderlijk omdat gewoontes tot het snelle, onbewuste systeem 1 horen. Je kunt je heilig voornemen om oplettender auto te rijden of je vooroordelen niet te laten meespelen, maar de gewoonte heeft het al overgenomen voordat je het merkt. Juist daarom is bewust onder ogen zien en erkennen van je ongewenste gewoontes onmisbaar. De positieve boodschap is dat je goede gewoontes kunt aanleren. Eenmaal aangeleerd en geautomatiseerd worden goede gewoontes stevige onderdelen van systeem 1.

 

 

3       ‘DE EVOLUTIE’ OF ‘DE CULTUUR’ ZIJN GEEN AFDOENDE VERKLARING VOOR INDIVIDUELE OPVATTINGEN EN GEDRAG 

 

‘Waarom die mensen zich zo anders gedragen dan wij?’ ‘Nou, dat is hun cultuur.’ ‘Waarom doen wij het anders?’ ‘Nou, dat is onze cultuur!’ Kwestie afgedaan. ‘Waarom wij mannen zo graag barbecueën?’ ‘Nou, logisch, omdat we vroeger toch ook de jachtbuit op het vuur legden’. Dat klinkt allicht aantrekkelijker dan een complex en onaangenaam verhaal over commerciële belangen en marketing. Wij mensen hebben graag simpele verklaringen. Nuances en complexiteit, dat is allemaal lastig. Het is opmerkelijk dat zowel ‘de evolutie’ als ‘de cultuur’ populair zijn als simpele en afdoend geachte verklaring voor de opvattingen en het gedrag van anderen en onszelf. In het voorgaande zijn beide ook opgevoerd als verklaringen voor onze opvattingen en gedrag. Maar geen van beide kun je als enige verklaring voor opvattingen en gedrag van een individu gebruiken. Dan tuimel je in de valkuil van generalisatie en simplificatie.

 

Verklaart de evolutie ons individuele gedrag? Zeker niet!

Drie kanttekeningen hierover.

(1) Het is nuttig om te begrijpen waardoor sommige van onze emotionele reacties en onbewuste neigingen – wellicht – zijn ontstaan. Maar even nuttig is het om te bedenken dat we in de loop van de evolutie nog veel meer mogelijkheden ontwikkelden. Denk aan het vermogen tot nadenken, experimenteren, organiseren, plannen, fantaseren, verbeelden, creëren, vormgeven. We hebben onze vermogens gebruikt voor het creëren van allerlei middelen om samen te leven. En dat hoeft niet iedereen opnieuw te doen. Wat voorgaande generaties bedachten en creëerden wordt aan de volgende generaties doorgegeven, die daar weer op kunnen voortbouwen. Dat is cultuur. 

(2) Vaak wordt de fout gemaakt om zogenaamd evolutionaire verklaringen naar eigen voorkeur te selecteren. Zo is lang verwezen naar het idee van ‘de survival of the fittest’ om individueel egoïsme als onvermijdelijk en ‘natuurlijk’ te verdedigen. Daarbij werd volstrekt over het hoofd gezien dat groepsdieren om te overleven ook (moeten!) beschikken over andere vermogens zoals empathie, zorgzaamheid en samenwerking.

(3) De opvattingen en het gedrag van een individu kunnen nooit volledig als groepskenmerk worden beschouwd, omdat elk individu anders is! Ironisch genoeg is individuele variatie juist een belangrijk element in evolutietheorie. Die variatie brengt mee dat de een zich beter aanpast aan de omgeving dan de ander en daardoor meer kansen heeft op overleving en voortplanting. Ook culturele ontwikkeling kan niet zonder variatie en afwijking van de standaard. 

 

Verklaart ‘de cultuur’ ons individuele gedrag? Zeker niet!

Natuurlijk zijn de sociaal-culturele omgeving en de historische periode waarin je opgroeit erg belangrijk voor de vorming van je opvattingen en gedrag. Wat je tijdens je socialisatie leert lijkt erg vanzelfsprekend, want het wordt je aangereikt en aangeleerd als de enige mogelijkheid. Het blijft dan ook vaak grotendeels onbewust in de zin dat je er niet over nadenkt. Maar dat kan veranderen. Bij het volwassen worden – in de puberteit en adolescentie – kun je vragen gaan stellen en praten met anderen die zich ook vragen stellen. In de huidige wereld van sociale media is het bijna onmogelijk om niet te weten dat er ook andere opvattingen in de wereld zijn en dat mensen zich ook anders kunnen gedragen dan je zelf hebt geleerd. 

Binnen een cultuur zijn altijd subculturen van groepen, die onderling verschillen in hun opvattingen en gedrag. Vaak hoor je bij diverse subculturen. Ook kun je deel uit maken van zowel een minderheidscultuur als van de dominante cultuur. Het gedrag en de opvattingen van een individu kunnen nooit eenduidig uit één cultuur worden verklaard. Bovendien zijn culturen dynamisch. Ze veranderen door allerlei factoren. Door nieuwe omstandigheden, door contacten met andere culturen, door interne inconsistenties, dus dingen die niet met elkaar kloppen. Kun je bijvoorbeeld menselijke waardigheid hoog houden, terwijl je tegelijk bijdraagt aan mensonwaardige omstandigheden in de wereld? Onvrede met aspecten van de cultuur leidt tot strijd om verandering. Ontmoet je iemand uit een andere cultuur, dan weet je nog niet hoe die persoon zich verhoudt tot de eigen cultuur.

 

Gebruik ‘de evolutie’ of ‘de cultuur’ dus niet als een afdoende verklaring voor de opvattingen of het gedrag van anderen of van jezelf. Zeg dus nooit dingen zoals ‘Typisch een Amerikaan’ (of welke groep dan ook) of ‘Een islamitische vrouw, dus die wordt onderdrukt’ of ‘Zulk gedrag kun je nu eenmaal verwachten van hooligans’. Dat is veel te simplistisch. Amerikanen, islamitische vrouwen en voetbalfans zijn geen klonen. Mensen zijn nooit een kloon van hun cultuur. Individuele opvattingen en gedrag worden altijd beïnvloed door allerlei factoren. 

Allereerst heeft elk mens een eigen, uniek referentiekader: de deels onbewuste ideeën, opvattingen, emotionele reactiepatronen en gewoonten, van waaruit je de wereld en jezelf bekijkt en tegemoet treedt. Het referentiekader wordt gevormd in de persoonlijke leergeschiedenis: dat wil zeggen door de wisselwerking tussen je individuele aanleg, individuele ervaringen en je sociaal-culturele omgeving(en). 

En een belangrijk ander punt: wat iemand op een bepaald moment zegt en doet is een reactie op de situatie van dat moment.Een andere situatie zou een andere reactie opwekken. Wie zich buitengesloten of bedreigd voelt gedraagt zich anders dan wie met vrienden samen is. In een ruzie zeg je dingen die je anders niet zou zeggen. Goede partners weten het beste in elkaar tevoorschijn te halen, slechte halen het slechtste in elkaar boven. Wie een ander wil leren kennen creëert een andere situatie dan wie de ander wegzet met een ‘die is nu eenmaal zo’-etiket.  

Kortom: elk individu is uniek. Jij en ik zijn even uniek als alle andere mensen. Elke situatie kan het gedrag – en de ontmoeting tussen verschillende mensen – op een positieve of negatieve manier beïnvloeden. Daarom is het onzinnig om te doen alsof het gedrag van een ander of jezelf onvermijdelijk ‘nu eenmaal’ is zoals het is.

 

4         HOE KUNNEN WE, MET AL ONZE DIVERSITEIT, SAMEN LEVEN?

 

Denk nog eens over dat zogenaamde systeem 1. Dan valt op dat het niet alleen gemakzuchtig is (lekker snel, kost weinig energie). Gemeenschappelijk is ook de voortdurende gerichtheid op het verschaffen van zekerheid. Dat mag soms een schijnzekerheid blijken, maar … zekerheid is fijn, want het geeft houvast. Er is niets mis met behoefte aan houvast. Aan de andere kant houden we toch ook van nieuw, van een beetje spanning, van fantaseren en bedenken hoe we ons leven prettiger kunnen maken? Die behoeften hebben ervoor gezorgd dat culturen zich ontwikkelden! Elke cultuur is gebaseerd op verandering. Was dat niet zo geweest, dan leefden we nog als prehistorische wezens. Misschien is de grootste uitdaging voor onze wereld hoe we, ondanks al onze culturele en andere diversiteit, prettig kunnen gaan samenleven.

Je hoeft en je kunt niet met iedereen goede vrienden te zijn. Je eigen intieme kring is per definitie beperkt. Maar wat kun je wel?

  1. Je kunt leren begrijpen dat anderen – de meeste anderen! – heel anders in het leven staan dan jij, maar om die reden niet minder zijn. Bedenk: dat jij de voorkeur geeft aan jouw inzichten en gewoonten heeft voor een belangrijk deel dezelfde achtergrond als de voorkeur van anderen voor hun inzichten en gewoonten.

  2. Je kunt de werking van systeem 1 bij jezelf erkennen. Natuurlijk (van nature) handel en denk jij net zo goed als alle mensen vaak vanuit systeem 1. Maar dat erkennend kun je juist proberen om ook regelmatig je eigen gedrag en denken bewust en kritisch te inspecteren. Klopt het eigenlijk wel wat je denkt? Is het wel eerlijk wat je doet? Houd ik daarbij rekening met anderen? Leef ik me wel in hun situatie in? Weet ik daar genoeg van? Of is het tijd om dat eens te onderzoeken?

  3. Nieuwsgierig zijn naar de inzichten en gewoonten van anderen en vooral ook naar de achtergrond ervan. Waarom doet iemand zo? Waarom denkt iemand dat? Je zult ontdekken dat anderen net zulk soort redenen hebben voor hun opvattingen en gedrag als je zelf hebt. Ook al verschil je enorm in je opvattingen en gedrag! Misschien kom je ook inzichten en gewoonten op het spoor die voor jezelf aantrekkelijk zijn.

  4. Zoek naar overeenkomsten. Misschien houd je van dezelfde muziek. Misschien houd je allebei van koken en lekker eten. Misschien heb je het allebei moeilijk met … het vinden van een baan, het ouder worden, de opvoeding van je kinderen, je ouders, of wat dan ook. Overeenkomsten leveren gespreksstof, uitwisseling en het besef iets gemeenschappelijks te hebben.

  5. Schort je vooroordelen op. Denk niet direct dat je ‘het wel weet’, simpelweg omdat die ander een hoofddoek draagt, of een net pak of een erg blote jurk, een baard heeft of een kaalgeschoren schedel, een andere huidskleur heeft dan jij, een andere taal spreekt. 

  6. Kennis over andere culturen is nuttig, maar diversiteit tussen individuen is altijd veel groter dan een culturele achtergrond kan voorspellen. Daarom: accepteer nooit cultuur (religie, etniciteit) als enige en afdoende reden voor gedrag, zowel gedrag van anderen als van jezelf. Uitspraken zoals ‘Zo doen zij dat nu eenmaal’  ‘Typisch iets voor hen’ en ‘zo zijn ze nu eenmaal’, met een afkeurende ondertoon, zijn kortzichtig. Net als uitspraken zoals ‘Zo doen wij dat hier’, met als strekking dat een ander zich daarom maar moet aanpassen. 

  7. Ook al word je het niet eens: om elkaar eigen inzichten en gewoonten te gunnen. Dat wil zeggen: zolang die inzichten en gewoonten niet schadelijk zijn voor anderen.

 

Kort samengevat: leer jezelf én de ander kennen!

 

Deze tekst is gebaseerd op Sanneke Bolhuis (2016). Leren en veranderen. Emotie, gedrag en denken.

Vierde, herziene druk. Bussum: Coutinho